Oproep Erfgoedklasbakken

← Terug naar Erfgoeddag 2023

Wil je je erfgoedverhaal delen met één of meer klassen van de lagere of middelbare school? Kom tussen 17 en 28 april een lesuur lang de leerlingen boeien met je erfgoedactiviteit. Schrijf je in als Erfgoedklasbak.

Na de editie van vorig jaar verzamelden we heel wat tips en aandachtspunten voor wie aan de slag gaat als erfgoedklasbak.

Stel je voor met voornaam en vertel wat je komt doen.

Kondig bij het begin aan, waarover je het zal hebben. Geef ook heel kort de opbouw van je praatje weer- zo weten de leerlingen wat er nog komt.

Vraag hun aandacht bij het begin en zeg hen dat je op het einde zal checken of ze goed hebben opgelet (opgelet: blijf speels, blijf een ‘gast’, geen leerkracht).

Durf de leerlingen gerust aan te spreken als ze rumoerig zijn. Zeg dat je stem  dit niet zal kunnen volhouden en wacht tot het stil is. Spreek op voorhand met de leerkracht af dat hij/zij de hele tijd bij de klas blijft en ingrijpt wanneer nodig.

Duid de koepelterm ‘erfgoed’ als je dit woord in de mond neemt (=wat we belangrijk en waardevol vinden uit het verleden en willen bewaren en doorgeven voor de toekomst). Idem voor ‘heemkunde (=heem, ons dorp, kunde: kennis).

Sluit aan bij de leefwereld van de leerlingen: hun dorp (tradities, feesten, plaatsen, mensen, verhalen…), hun school, hun vrije tijd, hun vakanties… Doe dat meerdere keren tijdens je praatje: zoek naar parallellen, herkenbaarheid of juist tegenstellingen. Vraag ‘herken je dit?’, ‘Waar heb je dit al eens gezien?’, ‘Hoe doen wij dat vandaag?’ enz.

Zoek evt. linken bij de (familie van de )kinderen: Woonden jouw grootouders daar? Hoe heet jouw overgrootvader?

Bouw af en toe wat mysterie in, of een kleine anekdote.

Wees niet te schools, laat het vooral een fijne kennismaking zijn.

Wees persoonlijk, wees jezelf. Geen complexen. Voor de leerlingen ben jij erg bijzonder!

Vermijd moeilijke woorden. Als je er niet om heen kan: leg ze uit wanneer je ze eerste keer gebruikt (bv. ‘replica’ of ‘overheid’…) en vraag aan de kinderen of ze het begrijpen, een voorbeeld kunnen geven of in eigen woorden kunnen herhalen.

Besef van tijd en ruimte evolueren doorheen de lagere school: erfgoedactiviteiten kan je pas kaderen in tijd en ruimte vanaf het vierde leerjaar.

Als je het over ‘vroeger’ hebt, specifieer dan wanneer: 50 jaar geleden (toen je oma jouw leeftijd had), 100 jaar geleden (toe de oma van jouw oma klein was)…

Speel een rol : je bent een soldaat in WOI, je bent een leraar in de school van vroeger, je bent een boer vijftig jaar geleden. Gebruik een attribuut. Zet een hoed of pet op.

Schets een algemeen beeld van de tijd waarover je het hebt (de wegen, de huizen, beroepen, of de  belangrijkste gebeurtenis(sen) van die tijd op die plaats, bv. de oorlog…)

Gebruik voorbeelden als je vertelt. Blijf concreet.

Gebruik veel foto’s, digitaal of groot afgedrukt. Het loont om ze te lamineren, dat is duurzaam.

Illustreer eventueel  met een tijdsband (in veel klassen van 3e graad hangt er één). Spring niet tussen tijdvakken maar bouw chronologisch op, van oud naar nieuw of omgekeerd.

Breng iemand mee als levende getuige. Iemand die het nog heeft meegemaakt, iemand van zeer hoge leeftijd.

Breng materialen mee die ze mogen zien, evt ook ruiken, proeven, aanraken, aantrekken, …

Maak gebruik van de technologie in de klas: check vooraf of er een smartbord is of zelfs tablets voor elke leerling? Pas je daaraan aan: usbstick, internetfilmpje, powerpoint, opzoekopdracht…

Langer dan 1 lesuur? Bouw een korte pauze in. Zorg dat je weet wanneer het speeltijd is.

Ga in gesprek: stel hen veelvuldig vragen en schep ruimte voor hun vragen. Doe iets met hun antwoorden, ga erop in. Doe iets met hun vragen – bv. stel er een nieuwe vraag bij.

Varieer in werkvormen: alleen ‘ex cathedra’ is uit de mode/uit den boze. Geef af en toe een opdracht in groepjes van 2, 4. Zorg voor afwisseling tussen doen, luisteren, kijken, …

Zorg voor echte voorwerpen naast de foto’s (waar het kan).

Doorbreek de klasopstelling (in een kring zitten) – bespreek het met de leerkracht.

Haal de leerlingen uit de klas. Doe een praatje in de kerk, in het archief, gemeentehuis, op het dorpsplein.

Voeg een spelelement toe, bv. een kwis bij het begin (waar of niet waar). Of houd een vragenrondje aan het einde.

Laat de leerlingen raden.

Humor is een geweldige saus.

Bedenk evt. een voorbereiding: kunnen de leerlingen iets van thuis meebrengen? Dan kan je met die foto of dat voorwerp tijdens je praatje ook iets doen! Of laat de leerlingen een grootouder een welbepaalde vraag stellen?

Denk ook aan een verwerking: kunnen de leerlingen iets creëren n.a.v. je praatje? Knutselen, maken, schrijven (muzisch domein, taal), uitrekenen?

Of geef hen een onderzoeksvraag om verder in de klas en thuis mee aan de slag te gaan.

Vragen als: wat zou jij vandaag doen als je …. (zoals toen indertijd)?

Heb je nog een tip voor de leerlingen? Een plaats om te bezoeken, een boek om te lezen, een programma om te bekijken?

Vraag hen wat ze ervan vonden. Of laat hen 1 ding noemen wat ze hebben geleerd, zulllen onthouden of wat ze thuis over jouw praatje zullen vertellen. Check of ze nog weten wat ‘erfgoed’ is (of een ander moeilijk woord).